Share

In vorige bijdragen heb ik stil gestaan bij de vraag hoe mobilisaties ontstaan. Een noodzakelijke voorwaarde daarvoor is het ontstaan van ongenoegen. Dat is echter niet voldoende. Individuen met een gevoel van ongenoegen moet zich nog verder ontwikkelen tot een groep met collectieve belangen. Die groep met collectieve belangen moet dan vervolgens ook nog overgaan tot collectief handelen.

Eens individuen tot een bepaalde groep met collectieve belangen behoren, is het potentieel voor mobilisatie afhankelijk van vijf elementen: de mate van organisatie, een kosten/baten-analyse van het gedrag, of er sprake is van repressie, de machtsverhoudingen tussen verschillende sociale groepen en de kansen die zich aanbieden. Alles vertrekt natuurlijk van de belangen die worden gedefinieerd.

Deze hebben een belangrijke invloed op de mate van organisatie. De mate van organisatie wordt meestal enkel omschreven in termen van ledenaantallen, ledendensiteit, enz. Dit zijn natuurlijk belangrijke variabelen in het begrijpen van de mate van collectieve organisatie maar we moeten ook nog dieper gaan kijken en ons afvragen in hoeverre leden zich identificeren met de organisatie en welke de mate van interactie of de densiteit van de sociale netwerken onder de leden is. Variaties in beide dimensies bepalen eerder de reële mate van organisatie dan oppervlakkige beschrijvingen zoals ledenaantallen.

Het gaat dan over de vraag of en in welke mate de leden zich identificeren met de groep of de organisatie en ook nog wat de mate van interactie is onder de leden.

Het Belgisch syndicalisme wordt traditioneel gekenmerkt door een hoge syndicalisatiegraad. Dat is echter niet gelijk aan de mate van organisatie zoals hierboven beschreven. Als het gaat over de mate van identificatie met de syndicale organisaties, dan blijkt telkens uit onderzoek dat de vakbonden nog steeds als hoogst noodzakelijk worden beschouwd om de sociale rechten te beschermen. Ook het stakingsrecht wordt nog steeds overwegend als iets noodzakelijks beschouwd. Bij de start van de acties tegen de regering Michel was er ook een zeer groot draagvlak. Heel veel mensen blijken zich nog steeds te identificeren met de vakbonden.

Als je echter gaat kijken naar de mate van interactie onder de leden, dan stelt dat veel minder voor. Aangezien de vakbonden georganiseerd zijn in verschillende beroepscentrales, is er vaak weinig tot geen contact tussen de leden en militanten uit verschillende sectoren. De beroepscentrales kennen een top-down structuur waarbij er vaak wel inspraak is binnen de centrale maar de contacten tussen de centrales doen zich meestal enkel voor aan de top. Er zijn weinig of geen interprofessionele bijeenkomsten. Als die er al zijn dan gebeuren die enkel binnen één bepaalde syndicale organisatie. Er zijn zelden of nooit ontmoetingen tussen de leden van verschillende vakbonden.

Meer interactie zou nochtans helpen. Zo kan men de gedeelde belangen verduidelijken en tot gedeelde eisen komen. Zo kunnen positieve en negatieve ervaringen worden uitgewisseld om tot een gezamenlijke aanpak te komen.

Individuen die een bepaald doel willen bereiken zich zullen dan afvragen of ze overgaan tot collectief handelen op basis van een kosten/baten-analyse. Dat gebeurt op basis van drie criteria : motivatie met betrekking tot het doel, sociale motivatie en motivatie met betrekking tot de beloning.

Motieven met betrekking tot het doel omvatten de inschatting van het aantal mensen dat verwacht wordt deel te nemen, de idee dat een hoge uitkomst nodig is en de idee dat de collectieve actie een verschil zal maken. Sociale motivaties verwijzen naar de reacties die we krijgen van belangrijke anderen en de waarde die aan deze reacties wordt toegekend. Motivaties met betrekking tot de beloning omvatten de persoonlijke gevolgen van deelname en de waarde die we aan deze gevolgen toekennen.

Dit wil echter niet zeggen dat een mobilisatie enkel de optelsom is van instrumentele berekeningen van individueel eigenbelang. We moeten ook oog hebben voor de sociale context waarbinnen die beslissingen worden genomen. De belangen die werden gedefinieerd, spelen opnieuw een rol. Ook de mate van organisatie speelt mee. En er is ook nog de vraag of er repressie is vanuit de heersende groep(en). Ook de kansen die zich aandienen, spelen een rol.

Als het gaat over repressie dan gaat het vooral over de kost van repressie. Deze kost wordt natuurlijk bepaald door de machtsverhoudingen tussen de groepen. Het is ontegensprekelijk zo dat de machtsverhoudingen tussen de groepen gewijzigd is in het voordeel van het kapitaal en dat verlaagt de kost van repressie. De discussie over (de inperking van) het stakingsrecht is al lang bezig en de sociale strijd wordt al een hele tijd geconfronteerd met de eenzijdige verzoekschriften. Toch is de situatie minder dramatisch dan vaak wordt voorgesteld. Recent onderzoek toont immers aan dat een meerderheid van de Belgische kiezers overtuigd blijft van de noodzaak van het stakingsrecht om de belangen van werknemers te verdedigen en een meerderheid van de Belgische kiezers vindt ook dat het gerecht stakingen niet mag verdiepen. De praktijk toont ons ook dat de rechtse partijen het zeer moeilijk hebben om het stakingsrecht effectief in te perken. De huidige regering blijft ook problemen ondervinden wanneer zij de resultaten van het sociaal overleg niet respecteert.

Het probleem situeert zich mijns inziens dan ook minder bij de kost van repressie die goedkoper wordt voor de heersende groep, dan wel bij de voorgaande stappen in het proces. Wanneer je als groep onvoldoende duidelijke collectieve belangen formuleert, als je attributies en stereotyperingen niet goed zitten en als de mate van organisatie niet goed zit, dan heeft dat een invloed op de kost/baten-analyse die individuen maken en dan zal de kost van repressie zwaarder doorwegen in de beslissingen die individuen nemen.

Het concept van kansen gaat over de vraag welke mogelijkheden een groep heeft om haar belangen en/of eisen na te streven. Dit wordt natuurlijk bepaald door de belangen die worden gedefinieerd en door het machtsevenwicht tussen de partijen. De mogelijkheden die zich aandienen, zullen op hun beurt ook weer een invloed uitoefenen op de kosten/baten-analyse die individuen maken.

De meeste analyses over de staat van de sociale strijd vertellen ons dat de mogelijkheden voor sociale strijd aanzienlijk verminderd zijn: het is crisis, de tewerkstelling in de industrie is gedecimeerd, de sociale verhoudingen zijn geïndividualiseerd, mensen zijn hoger geschoold en streven hun belangen niet meer op een collectieve wijze na, enzovoort. Toch zijn er ook nog steeds heel wat elementen die wel op mogelijkheden wijzen: de tewerkstelling in de industrie is verschoven naar de dienstensector en ook daar is heel wat economische macht te vinden (het goederentransport, de loodsen, de social profit, …) en er is nog steeds een groot draagvlak voor sociale strijd (zie hierboven). Dus misschien worden de mogelijkheden te weinig benut?

Leiding speelt, naast het zorgen voor een gevoel van onrechtvaardigheid, op tenminste drie manieren een belangrijke rol in de mobilisatie :

  • Het promoten een groepscohesie en een groepsidentiteit die mensen aanmoedigt om na te denken over hun collectieve belangen.
  • Het aanmoedigen van collectief handelen, een proces van overtuiging dat essentieel is aangezien velen een kosten/baten-analyse maken en geen ervaring hebben met verschillende actievormen.
  • Het verdedigen het collectief handelen tegen contra mobiliserende argumenten.

Om dit alles mogelijk te maken is interactie natuurlijk vitaal. Eerst en vooral om duidelijk te maken hoeveel anderen het individueel ongenoegen delen, daarnaast om duidelijk te maken hoeveel steun er is voor het collectief handelen.

Deze artikelenreeks is grotendeels gebaseerd op het werk van John Kelly, een Britse arbeidssocioloog. Kelly stelt dat de notie over de teloorgang van het arbeiderscollectivisme binnen de huidige sociaaleconomische evoluties in feite zeer misleidend is. Meestal wordt er geen enkel analytisch of empirisch onderscheid gemaakt tussen de verschillende aspecten van arbeiderscollectivisme. Men veronderstelt gewoon dat veranderingen in bijvoorbeeld de definiëring van collectieve belangen zonder meer gepaard gaan met veranderingen in collectieve organisatie, in collectieve mobilisatie of in collectief handelen. Men kan echter evengoed argumenteren dat arbeiders nog steeds een collectieve definiëring van hun belangen kennen maar dat het hen de middelen ontbreken om deze belangen na te streven. Kelly stelt daarom dat arbeiderscollectivisme een situationeel specifieke respons op onrechtvaardigheid is en niet gewoon een vorm van collectieve vertegenwoordiging die bij een bepaalde historische sociaaleconomische constellatie hoort.

Dit kader biedt een aantal voordelen. Het overstijgt het zeer algemene en ongenuanceerde idee van een ‘achteruitgang van collectivisme’ en het helpt om meer precies na te denken over de verschillende aspecten die te maken hebben met collectief handelen. Bovendien doet het ons erkennen dat er een ongelijkheid kan zijn tussen die verschillende aspecten van collectivisme. Dat zou moeten toelaten om een duidelijk actieplan op te stellen!

Mo De Ridder

Hart boven hard

hartbovenhardkleur

18 stellingen

ecosoclogo

Roodlinks RSS feed

Agenda

Geen evenementen

Steun ons financieel

Geef ons een duwtje in de rug en stort een bijdrage op het rekeningnummer van Roodlinks nationaal:

000-3255563-49
IBAN BE97 0003 2555 6349
BIC BPOTBEB1
op naam van
Roodlinks
p/a Kruishofstraat 144 bus 118
2020 Antwerpen

Manifest

linksmoetookdurven