Share

Sinds Donald Trump een electorale nederlaag toebracht aan Hillary Clinton in de strijd om het presidentschap van de Verenigde Staten, hebben allerlei commentatoren zich sterk gefixeerd op het ‘identiteitsvraagstuk’. Net zoals een tong onophoudelijk een pijnlijke tand aanraakt, weet deze fixatie het probleem te situeren zonder het evenwel aan te pakken. Het probleem wordt zelfs niet geanalyseerd. Het zegt ons niets over de aantrekkingskracht van identiteit, de verbondenheid die het weet op te wekken, de subjectieve investering of vereenzelviging die ermee gepaard gaat. In het beste geval herhalen liberale commentatoren (zoals in de New York Times) de conservatieve kritiek van politieke correctheid, opgesmukt met een erudiet neerbuigende houding.

Clintons meest prominente campagneslogan was ‘I’m with Her’. ‘Ik ben met haar’. In deze slogan is de ‘Ik’ de kiezer terwijl ‘haar’ verwijst naar Clinton. De slogan is het statement van de kiezer waarbij deze niet zodanig voor Clinton kiest maar voor een vrouw. De kiezer is het soort persoon voor wie gender belangrijk is; wiens stem in de eerste plaats een stem is voor gender-rechtvaardigheid, want nu is het ‘haar’ (Clintons) beurt. Altijd zijn mannen president geweest, nu is het tijd voor een vrouw. De slogan vertelt ons iets over wat van waarde en betekenis is voor de kiezer, over wie de kiezer is als persoon. Over de kandidaat zegt de slogan niets, toch niets anders dan het geslacht. Het geslacht van de kandidaat is wat haar het meest onderscheidt, wat politiek het meest betekenisvol is.

Zo’n slogan, één die iets zegt over de kiezer en niet over de kandidaat, leek Clintons campagneteam waarschijnlijk een goed idee omdat de slogan zich zo makkelijk schikt in de affectieve netwerken van het communicatieve kapitalisme. Communicatief kapitalisme staat voor het samenvloeïen van democratie en kapitalisme via gepersonaliseerde massamedia, de netwerken van mobiele telefoons, wifi, sociale media, en vooral afleiding op grote schaal (in de zin van leisure distraction) doorheen dewelke we onze gevoelens en opinies laten circuleren op een manier die ons het gevoel geeft dat we belangrijk zijn, geëngageerd, politiek. Het communicatieve kapitalisme versterkt en steunt op de cultus van de individuele identiteit. We worden voortdurend verteld dat we uniek en speciaal zijn, dat niemand in onze plaats kan spreken, dat we het allemaal zelf kunnen doen. De slogan van Clinton spreekt niet in de plaats van de kiezers; het is een registratie van de kiezer die voor zichzelf spreekt, een soort kant en klare hashtag-statement van identiteit.

Het gebod om op te komen voor je identiteit is alomtegenwoordig in het communicatieve kapitalisme. Zorg dragen voor jezelf lijkt nu een politiek significante daad te zijn, eerder dan een symptoom van een ontmantelde verzorgingsstaat en van de obsceen competitieve arbeidsmarkt waarin we geen andere keuze hebben dan voor onszelf zorg te dragen indien we de boot niet willen missen. De slogan van Clinton is een neoliberale vertaling van het inzicht dat de tweede feministische golf schraagde, namelijk dat het persoonlijke politiek is. Omdat het persoonlijke politiek is, ben ‘ik’ het politieke vraagstuk bij uitstek, en stelt zich bijgevolg de vraag wat mijn stem over mijzelf kan zeggen.

Tegen de achtergrond van deze individualistische terugval gaan de stemmen van anderen ook over mij. Het post-electorale ventileren van gevoelens van hevige kwelling en verbijstering door Clinton-kiezers op de sociale media, en de herhaling daarvan in de mainstream mediaplatformen, waarbij verslaggeving over wat op sociale media gebeurt ook als een deel van journalistiek werk wordt beschouwd, is verregaand persoonlijk. Mensen drukken hun eigen individuele angsten uit en de angst voor de toekomst van hun kinderen. Ze getuigen van diepe angst en paniek. Sommigen gaan zover in het oprekken van deze angsten en paniek dat ze stellen dat al wie voor Trump heeft gekozen (of zelfs iedereen die niet voor Clinton heeft gekozen) racistisch, seksistisch en homofoob is. Deze veralgemeningen zeggen niets over de structuren van de Noord-Amerikaanse maatschappij. Het zijn projecties van attitudes op anderen, manieren om anderen als vijanden of rivalen te aanzien. De stemmen (of niet-stemmen) van al deze ‘anderen’ gaan eigenlijk over diegene die zich projecteert (de kiezer ‘met haar’ ). Voor de verkiezing was diegene die ‘met haar’ was, veilig. Nu loopt zij (hij) gevaar.

Feiten over de alomtegenwoordigheid van geracialiseerd geweld en deportaties onder Obama, klassenverschillen binnen raciale categorieën, en de sociologische analyse van niet-stemmers en Trump-stemmers worden slechts in kleine mate opgepikt. Wanneer het aankomt op de kracht van nieuwscirculatie doet het onderscheid tussen waarheid en leugens, tussen feiten en fictie er weinig toe. Sociale media drijven op intense statements over persoonlijke gevoelens en het rondsturen van beroering en affect. Ontzetting en woede oogsten meer ‘likes’ dan nuance dat doet. Morele verontwaardiging wordt dan ‘#moed’. Wanneer onze reeds fragiele, conflicterende en nooit compleet coherente identiteiten op het spel staan – wat altijd het geval is (behalve wanneer we foto’s van katten aan het delen zijn) – worden meningsverschillen al snel aangevoeld als aanvallen of pesterijen.

Tijdens de verkiezingen van 2016 is identiteitspolitiek opgegaan in de dwingende individualiteit van het communicatieve kapitalisme. Demografische kenmerken die door enquêteurs worden gebruikt kregen een gefixeerde lading die in staat is om de ideeën en voorkeuren te vatten van iedereen die tot die categorie behoort. Het complexe samenspel van factoren die in politieke keuzes uitmonden, de vele manieren waarop die keuzes niet vastgelegd zijn door een soort essentie die in demografische termen aan te wijzen en te vangen is, het gegeven dat politieke identiteiten eerder geconstrueerd moeten worden dan dat ze verondersteld, erkend en aanvaard moeten worden; dat alles werd bedolven onder een steeds heviger aandringen op het bestaan van een direct verband tussen identiteitscategorieën en politieke inzet. De mix van identiteitspolitiek en opgelegde individualiteit was ook het waarmerk van de Clinton-campagne, gaande van de opportunistische tweets over intersectionaliteit, over de moedwillig verkeerde representaties van Bernie Sanders, tot het wegzetten van linkse criticasters door middel van gescheld over persoonlijkheidskenmerken – kinderachtig, pedant, naïef, onverantwoordelijk. Het getier en de beschuldigingen waren doorgaans totaal losgeweekt uit ook maar enige vorm van politiek denken, even ver afgedreven van overwegingen over en aandacht voor wie voordeel zou halen uit gratis toegang tot universitair onderwijs en een universeel zorgverzekeringssysteem als van mensen wiens politieke denken de identitaire grenzen van het Clinton-kamp overstijgt. Het gejoel raasde door de netwerken onder de vorm van stemmingen, als de gevoelsmatige voorwaarde van deze verkiezing om kiezers aan zich te binden in hun individuele specificiteit – met dien verstande dat die specificiteit samenvalt met verwachtingen over identiteitskenmerken als geslacht, gender, geaardheid en huidskleur.  

Zoals ik uitwerk in Crowds and Party, spoort recent onderzoek van de sociologen Jennifer Silva en Carrie Lane de materiële condities op die de opmars van de intense gehechtheid aan individuele identiteiten bewerkstelligen. Een diep wantrouwen jegens de instellingen leidt velen tot de overtuiging dat ze enkel op zichzelf aangewezen zijn. Hun gevoel van zelfrespect en eigenwaarde putten ze uit hun zelfvoorzienendheid. Ze staan heel sceptisch tegenover allerlei experten en spreken bij voorkeur vanuit eigen ervaringen, die wél legitiem zijn omdat ze nu eenmaal uit hun identiteit voortkomen die maakt wie ze zijn. Hoe meer moeilijkheden ze moeten overkomen, hoe meer ze zich moeten verweren, hoe waardevoller hun identiteit. De roep om solidariteit komt op hen dan over als een eis om het kostbaarste eigene weer op te offeren, en dat weeral voor niets.

Identiteitspolitiek maakt een politiek strijdwapen van het gevoel dat men een houvast moet zoeken bij wat in je ligt, meer dan bij het actieve zelf. Het kiest en overbelicht een bepaald kenmerk uit een gegeven set aan sociologische kenmerken, en transformeert deze eigenschap van iets dat beschermd moet worden tot iets dat zelf de motor van aanvallen wordt. Offensieve identiteitspolitiek laat me toe te beklemtonen dat ik deze keer niet zal opgeofferd worden, ik zal overleven. En meer nog, het helpt ook een stukje de schuldgevoelens van de gepriviligieerden te verzachten – ze staan aan de goede kant van de geschiedenis, voor een keer. De extra bonus van deze als een wapen ingezette identiteitspolitiek is dat de bevoorrechten haar tegen elkaar kunnen gebruiken en toch tegelijkertijd de basisstructuur van het communicatieve kapitalisme intact kunnen laten. We merken dit op wanneer we naar het arsenaal van identiteiten kijken – geslacht, ras, gender, seksualiteit, mate van fysieke beperking, etniciteit, religie, burgerschap – en we vaststellen wat er ontbreekt: klasse.  

De identiteiten vanwaaruit je kan spreken berusten op de uitsluiting van klasse. Enerzijds is er de aanname dat klasse ‘wit’ betekent. Tegelijk wordt er in het discours van identiteitspolitiek toch ook gewag gemaakt van de racialisering van armoede, de vervrouwelijking van werk, en dit zijn belangrijke uiteenzettingen die het feit dat klasse in de huidige VS helemaal niet gelijkstaat aan wit/blank, erkennen en analyseren.

Wat zit er dan achter die verknochtheid aan identiteit dat niet enkel weigert de impact van economische ongelijkheid op de verkiezingen in kaart te brengen, maar dat ook telkens op zo een manier reageert op discussies over economische kwesties als waren de premisses van die discussie latent racistisch?   Het antwoord op deze vraag is kapitalisme. De identiteitspolitiek die opgang maakte tijdens de verkiezingen is geconditioneerd door het streven naar het voortbestaan van kapitalisme, niet de omverwerping ervan.

Het gaat om een liberale identiteitspolitiek die op gespannen voet staat met de lange geschiedenis van communistische en socialistische antiracistische, antiseksistische en antikoloniale strijd. Door het wegdringen van de geschiedenis en de tegenwoordige vormen van radicale, zwarte antikapitalistische strijd, van communistisch feminisme, van de leidende rol van people of color in bewegingen van de arbeidersklasse, is de politiek van het identiteitsdenken tijdens de verkiezingen van 2016 vooral werkzaam gebleken voor het vernietigen van solidariteit, meer dan voor het opbouwen ervan. De ontbrekende ondertitels bij de omarming van diversiteit door de Democratische Partij zijn dat het gaat om een diversiteit van de succesvollen, van de winnaars, van multiculturele beroemdheden en het fotogenieke, getalenteerde clubje dat zijn opwachting maakt voor de zoveelste praatjesmakerij op NBC. De Democratische tendens om werknemers te vervangen door ondernemers onder het mom van raciale inclusie is gedrenkt in een klassenoorlog, een strijd die in haar zog een disproportioneel groot aantal zwarte en bruine slachtoffers maakt. Het witwassen van de arbeidersklasse legitimeert het beleid dat de levens en toekomstperspectieven schaadt van miljoenen niet-blanke mensen van de arbeidersklasse.

Een niet-blanke collega zei me overlaatst dat het hem niet kon schelen dat hij elitair werd genoemd. Trump-stemmers zijn de racistische en blanke arbeidersklasse en hij heeft geen verlangen om tot hen door te dringen, een coalitie met hen te vormen. Of iets dergelijks. Een reductionistische, individualistische en gevoelsmatige benadering van de verkiezing maakt dat hij een klassepositie inneemt die hij anders zou verwerpen (althans publiek). Multiculturalisme is de vorm die zijn verdediging van kapitalisme aanneemt.

Identiteiten worden intens beladen op subjectief vlak. Dit is omdat de kwetsbare individualiteit moet onderstut worden. Maar hierdoor verengt politiek steeds meer tot morele verontwaardiging. Wat de opbouw van solidariteit die zo nodig is voor het verzet tegen het kapitalisme verhindert.

We kunnen verwachten dat de liberals tijdens de volgende weken en maanden zullen blijven doorgaan met het inzetten van identiteit, en op die manier de geschiedenis en de structuren van racisme, seksisme en homofobie zullen vastleggen en verbergen in de figuur van Trump. Deze ‘Trump-washing’ zal gewone Republikeinen redelijk doen lijken en Democraten als kampioenen van gelijkheid en diversiteit. De haat die de kandidatuur van Trump heeft gelegitimeerd zal een liberaalgezinde vorm aannemen van haat voor de working class blanken, in naam van een vorm van multiculturalisme die de realiteit van een multiraciale arbeidersklasse aan het zicht en de analyse onttrekt. Communicatief kapitalisme zal het terrein effenen voor het soort reacties – het vertoon van verontwaardiging en hooggestemd gelijk, individuele statements van angst en bondgenootschap.  

De linkerzijde moet antwoorden met het (her)opbouwen van solidariteit. De kant kiezen van de onderdrukten betekent dat we moeten zorgen dat de deelstrijden van die onderdrukten zich verenigen in een kamp, een kamp in de klassenoorlog die doorheen hen allemaal waart. Dat kunnen we doen door de communistische en actuele relevantie van Bernie Sanders slogan te beklemtonen, “Not me, us.”; “Niet mij, ons.” Of zoals Jed Brandt zei in de onmiddellijke nasleep van de verkiezingen, het is tijd, niet om bondgenoten te zijn, maar kameraden.

Jodi Dean doceert politieke theorie en mediatheorie in Geneva, New York. Ze heeft geschreven of als editor meegewerkt aan elf boeken, waaronder Crowds and PartyThe Communist Horizon and Democracy and Other Neoliberal Fantasies.

Vertaling en bewerking: Hanne Provoost

 

Hart boven hard

hartbovenhardkleur

18 stellingen

ecosoclogo

Roodlinks RSS feed

Agenda

Geen evenementen

Steun ons financieel

Geef ons een duwtje in de rug en stort een bijdrage op het rekeningnummer van Roodlinks nationaal:

000-3255563-49
IBAN BE97 0003 2555 6349
BIC BPOTBEB1
op naam van
Roodlinks
p/a Kruishofstraat 144 bus 118
2020 Antwerpen

Manifest

linksmoetookdurven